Inclusief onderwijs: Wat vooroordelen doen met prestaties van scholieren

Leestijd: 3 minuten | Auteur: Noortje Arts 

Inclusief onderwijs is onderwijs waarbij scholieren vanuit allerlei (culturele) achtergronden, met én zonder beperkingen samen leren. Hier is de laatste jaren veel aandacht voor. Gedurende mijn werk in het onderwijs spraken we vaak over ‘passend onderwijs’ en extra begeleiding voor scholieren met een zorgbehoefte. Doorgaans ging dit over leerlingen met gedrags- en/of leerproblematieken. We maakten hier beleid voor en boden onderwijsteams aan om trainingen te volgen die hen hielpen dergelijke leerlingen de juiste ondersteuning te bieden. We hadden hiermee oog voor verschillen in zorgbehoefte, maar niet voor culturele diversiteit. Er werd niet of nauwelijks gesproken over hoe je als docent om kunt gaan met culturele diversiteit in de klas. Laat staan over hoe vooroordelen en stereotypering van invloed kunnen zijn op verwachtingen die docenten hebben van hun leerlingen. ‘Jongens zijn beter in rekenen dan meisjes’, ‘witte kinderen beheersen de Nederlandse taal beter dan niet-witte kinderen’ of ‘er zijn hyperactieve ADHD-jongens en dromerige ADD-meisjes’. De vraag is: hoe objectief zijn wij in onze verwachtingen en stimuleren wij iedere scholier om deel te nemen aan het leren?

Als mensen denken we allemaal in hokjes. Dit bespaart ons een hoop denkwerk. Als we iemand zien delen we diegene in bij een groep op basis van wat wij aflezen aan iemands uiterlijk en onze verwachtingen van die persoon. Dit zorgt er vaak voor dat we sommige groepen bevoordelen en andere groepen benadelen. Witte mensen en mannen worden bijvoorbeeld vaker geassocieerd met eigenschappen die in onze samenleving wenselijk worden geacht (intelligent, gecultiveerd, rijk, etc.) terwijl anderen groepen vaker worden geassocieerd met eigenschappen die in onze samenleving minder wenselijk worden geacht. Zoals vrouwen die als te emotioneel of gevoelig gezien worden, en mensen van kleur die worden geassocieerd met eigenschappen als onbetrouwbaar of lui. Deze onbewust aangeleerde vooroordelen kunnen we niet direct voorkomen, maar we kunnen ons er wel bewust van worden. We kunnen leren inzien dat de eigenschappen die we aan anderen toekennen grotendeels (vaak impliciet) zijn aangeleerd en dat deze ideeën ons handelen beïnvloeden. Welke invloed heeft dit op het onderwijs?

Onderzoek wijst uit dat verwachtingspatronen van docenten, zowel positief als negatief, de schoolprestaties van scholieren beïnvloeden. Vooroordelen van docenten (die gebaseerd zijn op ideeën over bijvoorbeeld sociaal milieu, culturele achtergrond, geloofsovertuiging, fysieke verschijning, gender, etc.) beïnvloeden de verwachtingen die docenten hebben. Deze vooringenomen verwachtingen hebben vervolgens invloed op de houding, het gedrag en de schoolprestaties van leerlingen. Dit wordt ook wel het ‘Pygmalion-effect’ genoemd. Wanneer de verwachtingen hoog zijn, kunnen leerlingen beter presteren, ongeacht het basisvermogen. Maar zijn de verwachtingen laag dan kan dat zorgen voor slechtere prestaties. Docenten kunnen leerlingen anders behandelen door deze, vaak onbewust, lage verwachtingen. Leerlingen krijgen bijvoorbeeld minder vaak de beurt of minder ondersteuning, waardoor ze daadwerkelijk minder gaan presteren op school. Dit wordt ook wel het ‘Golem-effect’ genoemd.

In het onderwijs ben ik regelmatig situaties tegengekomen waarin docenten handelen op basis van onbewuste vooroordelen en stereotypen over scholieren. Dit kon een positieve uitwerking hebben, zoals het extra stimuleren van meiden die een technische opleiding volgden, waardoor deze scholieren zich beter konden ontwikkelen. Maar er waren ook situaties waarbij docenten met mij bespraken dat ze een groep scholieren met een biculturele achtergrond in de klas hadden waar ze niet veel van verwachtten. ‘Ze zijn Marokkaans en hebben een andere mentaliteit, ze hechten gewoon niet zo veel waarde aan school’. Dit resulteerde in minder goede begeleiding voor deze groep scholieren. Een aantal scholieren voelde zich niet begrepen en behaalde daadwerkelijk minder goede resultaten. Docenten hadden de neiging de slechte resultaten te verklaren door deze te wijten aan de sociale achtergrond en de daaruit volgende veronderstelde eigenschappen van scholieren.

Binnen het onderwijs ontbreekt het vaak aan handvatten om dergelijke situaties te herkennen, te bespreken en aan te pakken. Het wordt tijd voor aanvullende vaardigheden en een gedegen aanpak om goed onderwijs aan alle leerlingen te kunnen bieden. Wil jij ook graag gelijke kansen voor iedere scholier? Stel jezelf dan de volgende vragen:

  1. Welke scholieren vind ik veelbelovend en van welke scholieren heb ik geen hoge verwachtingen?
  2. Waarop baseer ik deze verschillen in verwachtingen?
  3. Hoe behandel ik scholieren waar ik minder hoge verwachtingen van heb ten opzichte van scholieren die ik talentvol vind?
  4. Ben ik mij ervan bewust hoe ik door mijn (non-)verbale communicatie verwachtingen overbreng?

Alle scholieren, ongeacht hun sociale en culturele achtergrond, persoonlijke kenmerken en vaardigheden, moeten zich volledig kunnen ontwikkelen. Het onderwijs moet immers fungeren als springplank en niet als hindernis.

Wil je meer weten over hoe je kunt zorgen voor gelijke kansen voor iedere scholier? Neem dan contact met ons op! info@ocullus.nl of 085-0470311.

Share